Paling

Twee weken kenden ze elkaar, en toch poseert die Joke Van De Velde ongegeneerd als De Weduwe van Sterchele. "Bij François voelde ik meteen echtheid en eerlijkheid. Ik ben zo dankbaar dat ik hem heb leren kennen", rouwt ze in Het Laatste Nieuws. Nu wil ik geen afbreuk doen aan haar verdriet, maar dat zij het snikkende afscheidsinterview doet op pagina drie van de grootste krant van Vlaanderen, eerder dan Stercheles moeder of de vrouw met wie hij vier jaar een relatie had – ben ik de enige die dat aanmatigend vindt? Het wàren zelfs geen twee weken. De krant overdrijft, om het toch een beetje op een relatie te doen lijken. Ze hebben elkaar leren kennen op de Xenses-beurs in Knokke. Die ging van start op 30 april. In het beste geval kenden ze elkaar dus negen dagen. En toch: "François was een goed mens, een familiemens net zoals ik. Zijn mama, zijn zus, ze waren àlles voor hem. Hij was erg verstandig, vooruitziend, helemaal niet de losbol, de wegpiraat, de kwajongen voor wie sommigen hem verslijten. François zat en zit in mijn hart. Het feit dat hij plots uit mijn leven wordt getrokken, doet me héél erg verdriet." (Neenee Joke: uitzìnnig. Je bent uitzìnnig van verdriet. Zo staat het in de inleiding. En je bent er je geloof door verloren. Drama is pas drama met de versterker op tien.)

Ik moet toegeven: tot gisteren had ik geen benul wie François Sterchele was. Dat maakt het volgen van de mediastorm rond zijn dood een wat bizarre onderneming. Verschillende kranten hadden de normale volgorde namelijk omgedraaid: de feiten verstopt in het sportkatern, de societyroddels en geschokte reacties vooraan. Waarschijnlijk dachten ze dat we het belangrijkste wel wisten: sport volgen we toch allemaal? De Morgen deed zelfs niet de moeite om een inleidend artikel te plaatsen met de essentiële informatie: voetballer, 26, auto-ongeluk, speelt bij Club Brugge. Gewoon een foto op de voorpagina (en néé, ik herken niet automatisch de clubkleuren van Brugge), een enigmatisch The fast and the fabulous, en dan columns en commentaren. Pas het laatste stuk geeft een overzicht van zijn leven: hehe, eindelijk weet ik iets. Was er een even jonge, even veelbelovende schrijver overleden, er had vast een hoofdredacteur de reflex gehad: we mogen er niet van uitgaan dat dit voor onze lezers algemene kennis is.

Maar goed. Met wat ploegen door mijn vijf kranten om tussen de regels toch iéts op te vangen van wat verzwegen werd wegens te bekend, weet ik nu het een en ander over de overledene. Maar wat ik bovenal geleerd heb, is dat die sportwereld een parallelle werkelijkheid is, met een parallelle taal.

Bijvoorbeeld. Wat was de bijnaam van Sterchele? De paling. Waarom? Omdat hij mager was, en behendig. Kijk, dat vind ik raar. In mijn wereld staat de paling symbool voor de gladjanus, de gluiperd, iemand die zo listig en doortrapt is dat hij met de smerigste zaken wegraakt. "Hij is een gladde aal" kun je in vele contexten en over vele types mensen zeggen, maar je bedoelt er nooit mee: hij is mager en behendig. Heeft zo'n sportverslaggever weleens naar een paling gekeken? Dat heeft niet eens benen! Een eekhoorn, oké. Een gazelle. Een zìlvervisje desnoods, als je dan toch iets wil met vis erin. Maar nee, er is ruime consensus: die mooie, goedlachse, hartelijke, rebelse, snelle en getalenteerde voetballer kon niet beter worden getypeerd dan door hem te vergelijken met een zwarte, nijdige, slijmerige diepzeevis, met een merkwaardig trekgedrag.

Of neem Hugo Camps. Die schreef in zijn commentaarstuk dat Stechele "van een provocatieve tegendraadsheid" was, "algebraïscher dan de verbeelding van soixante-huitards." Wie mij kan zeggen wat dat betekent, die krijgt het verzameld werk van Camps – dan ben ik er vanaf. Waar en wanneer ik ook sterf, in deze column staat mijn enige laatste wens: laat Hugo Camps niets over mij schrijven.

En ten slotte: waarom staat er in al die stukken: "Zijn liefde voor Antwerpen werd hem fataal"? Ik begrijp dat dat dramatisch klinkt, maar dat is toch aantoonbaar fout? Zijn liefde voor snelle auto's – ja, die. Zijn liefde om midden in de nacht nog een traject van negentig kilometer te rijden – ja, die.

Het zal wel aan mij liggen, maar ik haat het als mijn kranten zich gedragen als de megafoon van publiek verdriet. Als ze zich verliezen in sentimentaliteit. Als ze met opzet een ‘relatie' van een dikke week opblazen, omdat die voor dat éxtra tikje glamour zorgt. Als ze mislukte metaforen verzinnen, omdat die poëtisch klinken voor het ongetrainde oor. Als de dood van een jonge voetballer echt relevant is – en dat zal best wel – dan wil ik dat mijn kranten mij uitleggen waarom. Duidelijk, ook voor wie de sector niet volgt. Een beetje afstandelijk. En in gewoon Nederlands.

Zoals ze dat met andere onderwerpen doen. Toch?